Van vissersdorp tot badplaats

Het project badplaatsarchitectuur gaat over de ontwikkeling van Zandvoort van vissersdorp tot badplaats. Daarmee veranderde ook de gebouwen totaal. Er kwamen villa’s, hotels en pensions, met veranda’s, balkons en mooie versieringen.
De sloppies, waar de gewone man (bakker, slager, visser, schoenmaker) woonden, staken hierbij maar rommelig af.
In deze lessen ontdekken de leerlingen de kenmerken van de badplaatsarchitectuur en de wijze waarop Zandvoort in de loop van de tijd veranderde.

Eeuwenlang was Zandvoort een vissersdorp. Men leefde vooral van de visvangst. Het dorpje was klein. In 1533 waren er 171 huizen. In 1622 waren er 796 bewoners. Vergelijk dat eens met nu: bijna 17.000 inwoners.
De vissen werden gevangen met bomschuiten, een speciale platte boot, die gemakkelijk op het strand kon worden getrokken.

Vislopers, – het waren mannen maar vooral ook vrouwen-  liepen dagelijks op blote voeten dwars door de duinen over het visserspad naar Haarlem om daar hun vis te verkopen bij de vishal. Er was nog geen weg van Zandvoort naar de stad of zelfs naar andere dorpen. De Zandvoorters waren dan ook erg op zichzelf aangewezen.
Het bestaan van de inwoners van Zandvoort was hard. Maar al te vaak verloren vissers hun leven op zee, want de zeilboten waren nog lang niet zo stevig als nu. In tijden van oorlog, en die waren er nogal vaak, werden bomschuiten op zee vaak ingepikt of beschoten.

De verkoop van de vissen was niet bepaald een goudmijn. De vissers en hun familie woonden in kleine visserhuisjes. We noemen ze nu de ‘sloppies’. In het centrum van Zandvoort vind je nog aardig wat oude huisjes van de vissers, smederijen, slagers en bakkers. Wel konden op een gegeven moment (vanaf 1800) veel Zandvoorters als bijverdienste een aardappelveldje in de duinen beginnen. Dat kon makkelijk als ’s winters de visserij stil lag.

Aan het begin van de negentiende eeuw veranderde er nog meer. Er kwamen badgasten naar Zandvoort. Het idee kwam op dat het zoute zeewater goed was voor je gezondheid. De allerrijksten, dus mensen van het koninklijk huis en van adel, kwamen op doktersadvies naar de zee.
In die tijd gingen de mensen nog niet de zee in om te zwemmen. Nee, de hotels adverteerden wel met hun gezonde zeewater, maar dan voor gebruik in het hotel! Er waren waterkarren die een paar keer per dag duizenden liters zeewater uit de zee haalden. Hotel Groot Badhuis was het eerste grote hotel vlakbij zee, dat werd gebouwd in 1828. Er waren 36 logeerkamers en acht badkamers die tegelijkertijd de binnenbaden waren. Voor een nachtje in dit sjieke hotel betaalde je in die tijd 1 gulden (ofwel € 0,50).

Zo ongeveer het sjiekste hotel was hotel d’Orange. Het werd later gebouwd, in 1881. Er kwamen belangrijke gasten, waaronder keizerin Elizabeth van Oostenrijk (in 1884), die wij nu nog kennen als keizerin Sissy (het hotel heette toen nog ‘Kaufman’). In 1885 was ze nog een keer in Zandvoort.  In Zandvoort is nog steeds een standbeeld van Sissy te vinden.

Zo kwamen er langzaam maar zeker steeds meer hotels en pensions in Zandvoort. Ook de Boulevard de Fauvage. Iets verderop in het dorp werd ook veel gebouwd. Kleinere hotels, pensions en villa’s voor rijke mensen. Die bleven dan de hele zomer in hun eigen huis.
Veel van de gebouwen zijn gebouwd in dezelfde stijl. Enkele typische kenmerken van deze ‘badplaatsarchitectuur’:

* (Grote) villa’s
* Veranda’s
* Balkons voor de badgasten
* Sjieke uitstraling

Al dat toerisme zorgde ervoor dat ook het vervoer van en naar Zandvoort steeds beter geregeld werd. In Nederland reed de eerste stoomtrein tussen Amsterdam en Haarlem in 1839. Vanaf 1881 was er ook een echte spoorweg en kon per trein  naar Zandvoort reizen. De trein kwam helemaal vanuit Bazel (Zwitserland).
Station Bad Zandvoort werd het eerste stationsgebouw. Een prachtig gebouw leidde vanaf het strand richting het station. Dat was de Passage, waar allerlei winkels te vinden waren en elke dag wel een concert- of muziekuitvoering was. In 1925 werd het gebouw door een grote brand verwoest.
Het station zoals we het nu nog steeds kennen werd gebouwd in 1908.
In 1895 werd er een elektrische tramweg geopend tussen Haarlem en Zandvoort. Hierdoor werd Zandvoort nog beter bereikbaar. En ook steeds beter bereikbaar voor minder rijke mensen.

Wat deden al die toeristen nu precies aan het strand? De eerste toeristen maakten wandelingen en gingen paardrijden. Langzaam maar zeker werd het strand wel steeds meer ontdekt. En zag je naast de bomschuiten ook steeds meer strandstoelen, spelende kinderen en badkoetsen. Je kon bijvoorbeeld paardje rijden. Voor vijftig cent (€0,25) kon je een half uurtje rijden op een pony of paard.
Zwemmen in zee werd op een gegeven moment ook gedaan. Dat ging zo: men huurde een badkoets bij de badvrouw op het strand. Zij waren vaak in dienst van een hotel, dat de badkoetsen verhuurde. In de koets kon men zich omkleden in badpak. Badpakken waren zwaar en groot, je mocht er niet bruin in worden, dus er was veel van het lichaam bedekt. Maar wanneer de paarden de badkoets een eindje in zee hadden getrokken, was de kust vrij om even van het water te genieten.
De babbelwagen was een wagen waar je met meerdere mensen gezellig kon zitten en genieten van het uitzicht op zee. Zo brachten de toeristen tot ver in de twintigste eeuw hun vakanties en vakantiedagjes steeds prettiger door op en aan zee.

In 1940 brak de oorlog uit. De Duitsers kwamen in Zandvoort en begonnen in 1943 met het verdedigen van hun gebied. Ze waren bang dat de Engelsen en Amerikanen vanaf zee zouden komen. Daarom legden ze bunkers, mijnen, prikkeldraad en loopgangen aan aan de kust van Scandinavië tot aan Spanje. In Zandvoort werden voor deze zogenaamde Atlantik Wall heel veel gebouwen platgegooid. Wel 20 hotels verdwenen.
Pas na de oorlog is Zandvoort weer opgebouwd; men kon weer helemaal opnieuw beginnen.